1. Waarom deze website ?

2. Wettelijk kader voor de bedrijfsvervoerplannen

3. Over welke hulpmiddelen beschikken ondernemers in Vlaanderen die een bedrijfsvervoerplan willen realiseren?

4. Het fiscale kader voor de woon-werkverplaatsingen

5. Contact

 


1. Waarom deze website ?

Het thema van de mobiliteit is dezer dagen niet uit de actualiteit weg te branden. Vanuit een bekommernis om het fileprobleem, de verkeersveiligheid en het milieu, streeft de overheid naar meer “duurzame mobiliteit”, of een mobiliteit met minder auto’s, en dus meer openbaar vervoer, collectief vervoer, fietsen,... Zowel de Federale en de Vlaamse Regeringen als de provincies en de gemeenten ondernemen daarom acties op verschillende terreinen: sensibilisatie, vervoersorganisatie, verbeteringen van de infrastructuur.

Het mobiliteitsprobleem kan echter niet alleen van bovenaf worden opgelost, iedereen moet zijn steentje bijdragen aan het debat en aan de oplossingen. Naast de overheid spelen immers nog twee partijen een fundamentele rol: de verantwoordelijken van de bestemmingen die de verkeersstromen veroorzaken (ondernemingen en andere tewerkstellingsplaatsen, scholen, handelaars,…) en de uiteindelijke gebruikers (werknemers, scholieren of klanten).

Mobiliteitsmanagement bij ondernemingen of bedrijfsvervoerplannen hebben als doel de verplaatsingen die met het werk te maken hebben, beter te organiseren. Het gaat hier zowel over de woon-werkverplaatsingen van de werknemers als over de behoeften aan mobiliteit van het bedrijf zelf (zakelijke verplaatsingen).

Het Vlaams Gewest was in 2000 cofinancier van het Europees project " Toolbox voor mobiliteitsmanagement in ondernemingen". Deze " Toolbox " heeft als doel werkgevers te voorzien van informatie, tips, voorbeelden en hulpmiddelen bij het opstellen van een bedrijfsvervoerplan voor hun personeel. Zo verlaagt de "Toolbox" de drempel naar mobiliteitsmanagement. Werkgevers kunnen immers al veel bereiken met vaak eenvoudige acties, die volledig onder hun verantwoordelijkheid vallen. Reeds veel werkgevers, maar ook werknemersorganisaties, maakten daarom van de "Toolbox" gebruik om hun inspanningen voor een betere mobiliteit te oriënteren. Daarna gingen ze zelf aan de slag.

De huidige versie van de toolbox kwam tot stand met steun van de Vlaamse Stichting Verkeerskunde, en wordt verder onderhouden door Traject – Mobility Management.



2. Wettelijk kader voor de bedrijfsvervoerplannen

2.1. Op federaal niveau

De Programmawet van 8-4-2003 (BS van 17.04.2003) en het Koninklijk Uitvoeringsbesluit van 16 mei 2003 (BS van 05.06.2000) over "de verzameling van gegevens over de verplaatsingen van werknemers tussen hun woon- en werkplaats" verplicht bedrijven en openbare diensten van meer dan 100 werknemers om gegevens te verzamelen over de woon-werkverplaatsingen van hun werknemers, en deze gegevens over te dragen aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer. Dit is de zgn. diagnostiek woon-werkverkeer. Met deze gegevens wordt een overzicht van de woon-werkmobiliteit opgemaakt, om als basis te dienen voor het ontwikkelen van bedrijfsvervoerplannen. Het gaat hier dus om een informatieplicht die de overheid en de vervoerders mogelijkheden moet bieden om het woon-werkverkeer beter te plannen. De gegevensoverdracht heeft voor de eerste maal plaats gevonden in 2005 en werd al herhaald in 2008, 2011 en 2014.

2.2. In de Gewesten

Op het niveau van het Vlaams Gewest bestaat er geen wettelijk kader voor de bedrijfsvervoerplannen.

Dit is wel het geval in het Brussels Gewest. Artikel 19 van de "Ordonnantie betreffende de beoordeling en de verbetering van de luchtkwaliteit" van 25 maart 1999 verplicht bedrijven met meer dan 200 werknemers op eenzelfde locatie een bedrijfsvervoerplan in te voeren. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering heeft op 5 februari 2004 het uitvoeringsbesluit goedgekeurd. In 2011 werd deze verplichting uitgebreid tot bedrijven vanaf 100 werknemers. Alle informatie is beschikbaar op de website van Brussel-Leefmilieu http://www.ibgebim.be.


3. Over welke hulpmiddelen beschikken ondernemers in Vlaanderen die een bedrijfsvervoerplan willen realiseren?

3.1. Mobiliteitspunten

In elke provincie staan provinciale mobiliteitspunten ter beschikking van bedrijven, bedrijvenzones en instellingen die te maken hebben met problemen rond woon-werkverkeer of die het woon-werkverkeer naar of van hun bedrijfslocaties op een meer duurzame manier willen organiseren. De provinciale mobiliteitspunten initiëren en faciliteren de potentiële projecten rond woon-werkverkeer. Ze begeleiden ook bedrijven bij het opstellen van een dossier voor het Pendelfonds.

Contactpersonen bij de Provinciale Mobiliteitspunten:

Antwerpen : Provinciaal Mobiliteitspunt Antwerpen
Kaat De Koninck en Yves Goossens
K. Elisabethlei 22
2018 ANTWERPEN
tel. 03 240 51 30 - 03 240 65 49
mobiliteitstpunt@admin.provant.be

Limburg : Provinciaal Mobiliteitspunt Limburg - Mobidesk
Rik Schreurs en An Reiners
Universiteitslaan 1
3500 HASSELT
tel. 011 23 83 83
mobidesk@limburg.be

Oost-Vlaanderen : Provinciaal Mobiliteitspunt Oost-Vlaanderen
Tinneke Decaluwe
W. Wilsonplein 2
9000 GENT
tel. 09 267 78 28
pmp@oost-vlaanderen.be

Vlaams-Brabant : Provinciaal Mobiliteitspunt Vlaams-Brabant
Hans Floré
Provincieplein 1
3010 LEUVEN
tel. 016 26 75 44
hans.flore@vlaamsbrabant.be

West-Vlaanderen : Provinciaal Mobiliteitspunt West-Vlaanderen - Mobidesk
Katrien Vancraeynest en Sofie Vanhooren
Abdijbekestraat 9
8200 BRUGGE
tel. 050 40 35 09 - 050 40 71 85
katrien.vancraeynest@west-vlaanderen.be

3.2. Pendelfonds

Het Pendelfonds subsidieert projecten die een vlot en duurzaam woon-werkverkeer bevorderen. Projecten die concrete maatregelen bevatten voor de bevordering van de duurzame mobiliteit op het vlak van woon-werkverkeer kunnen in aanmerking komen voor een tegemoetkoming uit het fonds. Bedrijven of bedrijvengroepen of andere private instellingen, maar ook lokale of provinciale overheden of andere publieke instellingen in samenwerking met een private partner kunnen subsidies aanvragen.

pendelfonds.gif

3.3. Aanbod de Lijn voor werkgevers

Naast de derdebetalersregeling, waarbij de werkgever zijn bijdrage in abonnementen van de werknemers rechtstreeks aan De Lijn betaalt, biedt De Lijn ook een aantal diensten aan die de werkgever helpen om de duurzame mobiliteit te promoten:

  • Mobisnapshot: een handig overzicht van de duurzame bereikbaarheid van het bedrijf (te voet, met de fiets, bus, tram of trein). De Mobisnapshot bevat dienstregelingen, informatie op kaart en een routeplanner. Hierin staat het vestigingsadres van het bedrijf al ingevuld. Zie voorbeelden op www.slimweg.be/werkgevers/mobisnapshots.htm.
  • Webenquête “Mobi Q”: deze brengt de problematiek van de woon-werkverplaatsingen van uw medewerkers in kaart, hun perceptie van De Lijn en hun bereidheid om op het openbaar vervoer over te stappen.
  • Een gratis 7-dagenpas voor werknemers die De Lijn eerst willen uitproberen.
  • Gratis sensibiliseringsmateriaal om het openbaar vervoer te promoten op de werkplek met folders, affiches, vloerstickers en een screensaver zodat zij van uw engagement op de hoogte zijn.
  • Gepersonaliseerde reisinformatie via www.mijnlijn.be

Meer op http://www.delijn.be/u_bent/werkgever.htm#3

3.4. Aanbod NMBS voor werkgevers

  • Derdebetalerovereenkomst voor werknemers die dagelijks met de trein naar het werk komen. Dit is een overeenkomst tussen NMBS en werkgever waarbij de werkgeversbijdrage voor openbaar vervoer rechtstreeks wordt gefactureerd aan de werkgever. De NMBS heeft sinds 2006 een interessante regeling voor bedrijven die meer dan de wettelijke bijdrage in het treinabonnement aan hun werknemers willen geven: de 80/20 regeling. Als de werkgever 80% van het abonnement terugbetaalt, legt de federale overheid de resterende 20% bij, zodat het abonnement volledig kosteloos is voor de werknemer.
  • Combinaties met andere vervoermaatschappijen: een treinabonnement kan gecombineerd worden met een abonnement van bus, tram of metro in hetzelfde contract en op dezelfde factuur:
    • MIVB: de 80/20 regeling is ook van toepassing bij MIVB
    • De Lijn: een omnipas in combinatie met treinkaart kost 209 euro in plaats van 249 euro
    • TEC: vrij te kiezen werkgeversbijdrage
  • Business e-ticketing: dit is een dienst waarbij de werkgever online via een username en paswoord zelf biljetten kan aanmaken, 24/7. De reiziger ontvangt het biljet onmiddellijk per e-mail (pdf) of op e-ID. De werkgever krijgt maandelijks een gedetailleerde factuur van de bestelde tickets. Kan gebruikt worden voor zowel werknemers als zakenrelaties.
  • Railease: dit concept is specifiek gericht op gebruikers van bedrijfswagens. Het betreft een rittenkaart waarmee de werknemer voor een aantal ritten de trein of ander openbaar vervoer gebruikt om naar het werk te komen, of om een zakelijke verplaatsing te doen, in plaats van de bedrijfswagen.
  • De NMBS biedt ook volgende reistools aan voor ondernemingen:
    • Bereikbaarheidsmodule: routebeschrijving op maat met openbaar vervoer, die gemakkelijk kan geïntegreerd worden in uw website.
    • Vertrekbord: scherm met de eerstvolgende vertrekken in realtime. Kan getoond worden op schermen in de inkomhal of er kan een link geplaatst worden op intranet.
    • Widget reisplanner: dit is een miniversie van de reisplanner van de NMBS die u kan integreren in uw website.
  • Mobilpol: Net als De Lijn biedt de NMBS een enquêtemodule aan waarmee u de verplaatsingen van uw personeel kan analyseren.

Meer informatie op de site van de NMBS, of telefonisch op 02/ 528 25 28.

3.5. Carpooling

Carpoolplaza, een product van Taxistop, het Vlaams Gewest en De Lijn dat gratis ter beschikking wordt gesteld van werkgevers, staat garant voor een professionele promotie en organisatie van carpooling in ondernemingen.

Meer info : klik hier !

3.6. Fietsersbond

De Fietsersbond staat in voor de behartiging van de belangen van de Vlaamse fietser naar de Gewestelijke en Nationale overheden, maar biedt ook diensten aan die ondernemingen kunnen helpen bij het promoten van de fiets naar hun werknemers toe.
Het programma Bike to Work, speciaal gericht op bedrijven, helpt deze hun werknemers te stimuleren de fiets regelmatig te gebruiken. Fietsers registreren hun fietskilometers en kunnen een prijs winnen. Bike to Work vermindert ook uw administratie want de registratietool laat toe voor de gereden fietskilometers meteen ook de fietsvergoeding te berekenen.

Fietsvriendelijke ondernemingen : klik hier !

3.7. Car-sharing: CAMBIO

Carsharing is een systeem waarbij wagens op verschillende (verspreide) parkings worden ter beschikking gesteld van de leden van een vereniging. Elk lid kan de voertuigen gebruiken wanneer hij/zij dat wil, in functie van de beschikbaarheid van de voertuigen. De kosten zijn direct verbonden met het gebruik van het voertuig (lage vaste kosten) en de gebruiker heeft heel wat minder zorgen (onderhoud, verzekering en andere administratieve rompslomp).

Car-sharing stations zijn er in Aalst, Aarlen, Antwerpen, Bergen, Brugge, Brussel, Charleroi, Ciney, Dendermonde, Diest, Gembloux, Genk, Gent, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Lier, Luik, Mechelen, Merelbeke, Mortsel, Namen, Oostende, Ottignies/Louvain-la-neuve, Roeselare, Sint-Niklaas, Turnhout, Verviers, Zwijndrecht.

Interesse: klik hier !



4. Het fiscale kader voor de woon-werkverplaatsingen

De laatste jaren is de fiscaliteit van het woon-werkverkeer grondig veranderd. Duurzame vervoerswijzen worden fiscaal steeds meer gepromoot: onbelaste fietsvergoeding of openbaar vervoerabonnementen van de werkgever, fiscale vrijstelling bij carpooling, bewijzen van beroepskosten uitgebreid tot carpoolpassagiers en bus- of treingebruikers. Sinds 2005 bestaat er ook een taxatie van de bedrijfswagens in functie van de CO2-uitstoot. In 2009 werd de onbelaste fietsvergoeding verhoogd en de bedrijfsfiets voor woon-werkverkeer vrijgesteld van belasting. In 2010 werd de fiscale behandeling van bedrijfswagens nog meer in functie gebracht van de uitstoot. Vanaf 2012 is er een nieuwe regeling voor de berekening van het voordeel dat gebruikers van bedrijfwagens wordt aangerekend.

Hieronder een overzicht van de regels.

4.1. Kant werknemer

4.1.1. De verplaatsingsvergoeding door de werkgever

Wat is de verplaatsingsvergoeding?

Werkgevers zijn in België verplicht een verplaatsingsvergoeding te betalen voor het woon-werkverkeer met het openbaar vervoer. Die wettelijke bijdrage is sinds 2009 ongeveer 75% van de prijs van het abonnement. De meeste privéwerkgevers geven echter een bijdrage ter waarde van de verplichte tussenkomst in het treinabonnement aan al hun personeelsleden, ook zij die met de auto naar het werk komen. De exacte regeling en de bedragen variëren per sector en zijn vastgelegd in CAO’s. De overheid daarentegen geeft meestal geen verplaatsingsvergoeding voor wie met de auto komt. Sommige bedrijven en veel overheidsadministraties betalen meer terug dan de wettelijke bijdrage, soms zelfs tot 100% van de abonnementsprijs. Daarnaast geven meer en meer werkgevers een fietsvergoeding aan hun personeel dat naar het werk fietst.

Fiscale behandeling:

De fietsvergoeding heeft een apart statuut. Alleen het bedrag boven 0,22 EUR/km wordt bij de bezoldigingen opgeteld en dus als loon belast. Een bedrag tot 0,22 EUR/km is vrij van belastingen.
De voorwaarde voor deze gunstige fiscale behandeling is dat de werknemer werkelijk fietst naar het werk. De bewijslast ligt echter niet bij hem maar bij de werkgever, die een systeem moet hebben om uit te maken wie daadwerkelijk fietst van en naar het werk en hoeveel km.
De voordelige fiscale behandeling van de fietsvergoeding is fiscaal ook cumuleerbaar met vrijstellingen op andere verplaatsingsvergoedingen, maar niet voor hetzelfde traject. Als het bedrijf bijvoorbeeld een fietsvergoeding van 0,22 EUR uitbetaalt voor het voortraject naar een treinstation, en daarnaast het abonnement voor de daaropvolgende treinrit naar het werk terugbetaalt, dan is de fietsvergoeding onbelast en de terugbetaling van het treinticket fiscaal vrijgesteld (zie verder).
De fietsvergoeding is fiscaal ook combineerbaar met het bewijzen van beroepskosten (zie verder) en met een fiets gegeven door de werkgever. Eenzelfde kilometerbedrag kan trouwens onbelast door het bedrijf gegeven worden voor het terugbetalen van dienstkilometers met de fiets van de werknemer.

Andere terugbetalingen van de woon-werkverplaatsing zijn in principe belastbaar als loon, maar volgens het gebruikte vervoermiddel zijn er vrijstellingen voorzien:

  1. Als de werknemer het openbaar vervoer gebruikt en de kosten daarvan op vraag van de controleur kan bewijzen, dan is de vrijstelling 100% van de werkgeversbijdrage. (Tenzij de kosten lager zijn dan de werkgeversbijdrage: dan is de vrijstelling gelijk aan de kosten). De openbaar vervoer kosten kunnen wel vermeerderd worden met max. 380 EUR vrijstelling voor andere verplaatsingswijzen als men een deel van de verplaatsingen met andere vervoermiddelen heeft afgelegd (zie hieronder).
  2. Als de werknemer gebruik maakt van door de werkgever of een groep van werkgevers georganiseerd collectief vervoer (bedrijfsbussen of carpooling), en er is een overeenkomst hierover tussen werkgever en werknemer, dan is de maximale vrijstelling gelijk aan het tarief van een eersteklas-weekabonnement van de trein voor de periode waarin de werknemer gebruik maakt van het systeem. Dit systeem kan ook gecombineerd worden met de 380 EUR vrijstelling "andere vervoermiddelen".
  3. Andere verplaatsingswijzen: vrijstelling met een maximum van 380 EUR.

Opgelet: De werknemer krijgt geen vrijstelling op de bijdrage van de werkgever indien hij zijn beroepskosten bewijst (zie verder).

4.1.2. "Voordelen van alle aard"

Hier gaat het om alle voordelen, buiten het salaris, die de werkgever aan de werknemer geeft en die geen vergoedingen zijn van reële kosten opgelopen tijdens het werk.
Deze voordelen zijn in principe belastbaar als deel van de bezoldiging.
Er zijn enkele belastbare voordelen die betrekking hebben op de woon- werkverplaatsing:

De bedrijfswagen:

De privé-kilometers die de werknemer ermee aflegt, inclusief dus de woon-werkverplaatsing zijn belastbaar als voordeel van alle aard. Vanaf 2010 (aanslagjaar 2011) was het voordeel al berekend in functie van de CO2-uitstoot van de wagen. Vanaf 2012 is er een drastische verandering waarbij het aantal kilometers geen enkele rol meer speelt, en het aangerekende voordeel afhankelijk is van de cataloguswaarde van de auto en de CO2-uitstoot.

De berekeningswiize (op jaarbasis) is als volgt:

cataloguswaarde van het voertuig x ouderdomspercentage x 6/7 x CO2-percentage.

Daarbij is de cataloguswaarde van het voertuig bepaald als de catalogusprijs inclusief opties en BTW, zonder rekening te houden met kortingen e.d.

Het ouderdomspercentage wordt bepaald als volgt:

van 0 tot 12 maanden 100%
van 13 tot 24 maanden 94%
van 25 tot 36 maanden 88%
van 37 tot 48 maanden 82%
van 49 tot 60 maanden 76%
vanaf 61 maanden 70%

Het CO2-percentage wordt als volgt berekend:

5,5% + 0,1%*(CO2 uitstoot in g/km - referentie-uitstoot voor het type brandstof)

De referentie-uitstoot is 93 g/km voor diesel en 112 g/km voor benzine, LPG en aardgas. Indien de uitstoot niet gekend is wordt uitgegaan van 195g/km voor diesel en 205 g/km voor benzine, LPG en aardgas.

De minimale waarde van het CO2-percentage is 4% en het maximum 18%.

Als de bedrijfswagen gebruikt wordt in het kader van door de werkgever of door een groep werkgevers georganiseerd collectief vervoer, dan was er vroeger een vrijstelling voorzien. Daarvoor is nog geen vervangkader bepaald.

Aanbieden van een fiets en/of fietsattributen en -faciliteiten aan de werknemer:

Sinds 2009 is dit voordeel onbelastbaar van zodra de fiets voor het woon-werkverkeer wordt gebruikt. Het voordeel is in principe combineerbaar met het bewijzen van beroepskosten.

Het gratis aanbieden van collectief vervoer voor het woon-werkverkeer aan de werknemer

... is eveneens een onbelast sociaal voordeel, combineerbaar met het bewijzen van beroepskosten.

4.1.3. Aftrek van beroepskosten

Bepaalde kosten die men maakt voor het uitoefenen van zijn beroep mogen afgetrokken worden van het belastbaar inkomen, onder andere bepaalde kosten voor woon-werkverplaatsingen.

De fiscus voorziet een forfaitaire aftrek voor beroepskosten, het "wettelijk forfait". Dit is afhankelijk van het bruto inkomen (voorbeelden: zie verder)
Het wettelijk forfait wordt steeds automatisch toegekend, zelfs als de werknemer zijn werkelijke beroepskosten bewijst en deze zijn lager dan het wettelijk forfait.

Het wettelijk forfait kan gecombineerd worden met de vrijstellingen op de verplaatsingsvergoeding.

De werknemer die op een grote afstand van het werk woont, meer bepaald meer dan 75 km, en dit op zijn aanslagformulier invult, ontvangt daarboven nog een forfait voor verre verplaatsingen (tussen 75-100 km: 75 EUR, tussen 101-125 km: 125 EUR, +125 km: 175 EUR).

Men kan ook opteren voor het bewijzen van zijn kosten, d.i. als men vermoedt dat de kosten hoger oplopen dan het wettelijk forfait . Hiervoor bestaan precieze regels in verband met de woon-werkverplaatsing.

Voor woon-werkverplaatsingen met eigen wagen, gezinswagen of een aan zich toegewezen wagen (verhuring, leasing...) kan men 0,15 EUR aftrekken voor elke effectief gereden woon-werkkilometer. Ook als men beschikt over een bedrijfswagen kan men beroep doen op de aftrek.

Nu bestaat dezelfde mogelijkheid ook voor degenen die zich niet met de eigen wagen, gezinswagen of een wagen die hen werd toegewezen, verplaatsen ( fietsers, carpoolpassagiers en gebruikers van het openbaar vervoer), maar met een limiet van 100 km enkele reis of 200 km heen en terug. Bij fietsers is het kilometerbedrag zelfs opgetrokken tot 0,22 EUR/km.

Opgelet: De werknemer heeft geen recht op vrijstellingen op de verplaatsingsvergoeding of op het voordeel van de bedrijfswagen (zie hoger) indien hij zijn beroepskosten bewijst.

4.1.4. Wanneer opteren voor het bewijzen van beroepskosten (verondersteld dat men enkel woon-werkverkeer als aftrekbare beroepskost heeft)?

Ga na hoeveel het wettelijk forfait voor beroepskosten is (op basis van uw loon, zie tabel hieronder).
- Als het wettelijk forfait hoger of gelijk is dan het bedrag dat u zou kunnen bewijzen met de 0,15 EUR/km (of als fietser: 0,22 EUR/km), en u hebt geen andere aftrekbare kosten dan de woon-werkverplaatsing, dan is het sowieso zinloos uw kosten te bewijzen. Via onderstaande tabel krijgt u een idee van het aantal kilometers dat u per dag moet afleggen opdat het zinvol zou zijn uw beroepskosten te bewijzen.
- Als het wettelijk forfait lager is dan het bedrag dat u zou kunnen bewijzen met de 0,15 EUR/km (of als fietser: 0,22 EUR/km), dan moet u het verschil tussen de twee vergelijken met de vrijstelling die u kan bekomen op de verplaatsingsvergoeding van uw werkgever. Want zoals gezegd zijn beiden niet combineerbaar, dus moet u kiezen voor de voordeligste formule.

Bruto Inkomen na afhouding RSZ * x


(loonfiche vak T)

Wettelijk forfait aftrek beroepskosten


(euro)

Aantal km nodig per jaar om aan wettelijk forfait uit te komen

(forfait / 0, 15 euro)

Aantal km nodig per werkdag om aan wettelijk forfait uit te komen

(jaarkms / 220 werkdagen)

10.000

2057

13710

62

15.000

2368

15784

72

20.000

2591

17273

79

25.000

2741

18273

83

30.000

2891

19273

88

35.000

3041

20273

92

40.000

3191

21273

97

45.000

3341

22273

101

50.000
3491
23273
106

55.000

3641

24273

110

Met een bruto inkomen van 30 000 EUR per jaar moet u dus al minstens op 44 km (88 km heen en terug per dag) van het werk wonen om belang te hebben bij het bewijzen van beroepskosten. Hoe meer u verdient, hoe verder u nog van het werk moet wonen om belang te hebben bij het bewijzen van beroepskosten (tenminste als u geen andere aftrekbare kosten heeft).

4.2. Werkgeverszijde

4.2.1. Sociale bijdragen

Vrijgesteld van RSZ-regeling zijn:

      • elke terugbetaling woon-werkverkeer, tenzij de terugbetaling hoger is dan de kost;
      • een gratis openbaar vervoer-abonnement toegekend aan de werknemers.

Tot nader order zijn de waarde van het toekennen van een bedrijfsfiets en het voordeel dat voortvloeit uit de organisatie van collectief vervoer wel aan RSZ onderheving.


Inzake bedrijfswagens toegekend als "voordeel van alle aard" aan werknemers (d.w.z. wagens waar privégebruik van gemaakt wordt) betalen werkgevers een solidariteitsbijdrage die sinds 2005 de vorm heeft aangenomen van een CO²-taks. Deze is van toepassing op voertuigen van de categorieën M1 en N1 (personenwagens, minibussen tot 9 plaatsen, vrachtwagens onder de 3,5t), en wordt berekend op basis van de emissiegraad van de wagen (met een minimum van 24,83 €/maand in 2013). Het is aan de werkgever om te bewijzen dat een wagen uit de bovenvermelde categorieën waarover het bedrijf beschikt géén privégebruik kent. De CO²-taks blijft gelden zelfs als de werknemer een deel van de kosten van de bedrijfswagen terugbetaalt aan de werkgever. Er zijn wel een aantal uitzonderingen voorzien voor voertuigen die gebruikt worden voor collectieve woon-werkverplaatsingen, op voorwaarde dat er geen ander privégebruik is.

4.2.2. Aftrekbare kosten

Aftrekbaar voor de werkgever zijn:

      • elke terugbetaling woon-werkverkeer;
      • het gratis openbaar vervoer-abonnement toegekend aan de werknemers;
      • kosten voor collectief vervoer (afschrijving van investeringen, rechtstreekse kosten) en het bevorderen van de fiets voor het woon-werkverkeer (de fietsen zelf, parkeerinfrastructuur, sanitair en kleedruimtes, accessoires, onderhoud, herstelling) zijn voor 120% aftrekbaar.

Vanaf 2012 wordt 17% van het voordeel van alle aard van de bedrijfswagen, berekend volgens de nieuwe formule (4.1.2.), ondergebracht onder de verworpen uitgaven en is het dus ten volle belastbaar.

Bedrijfswagens zijn maar beperkt aftrekbaar

Financieringskosten en mobilofonie blijven aftrekbaar voor 100%, maar sinds 2010 is de brandstof maar voor 75% meer aftrekbaar. Voor de andere kosten variëren de aftrekmogelijkheden in functie van de CO2-uitstoot:

voor diesel-wagens :

  • 100% aftrekbaar bij een emissie tot 60g/km;
  • 90% tussen 61 en 105 g/km;
  • 80% tussen 106 en 115 g/km;
  • 75% tussen 116 en 145 g/km;
  • 70% tussen 146 en 170 g/km;
  • 60% tussen 171 en 195 g/km;
  • 50% vanaf meer dan 195 g/km of bij onbekende uitstoot.

voor benzine-wagens :

  • 100% aftrekbaar bij een emissie tot 60g/km;
  • 90% tussen 61 en 105 g/km;
  • 80% tussen 106 en 125 g/km;
  • 75% tussen 126 en 155 g/km;
  • 70% tussen 156 en 180 g/km;
  • 60% tussen 181 en 205 g/km;
  • 50% vanaf meer dan 205 g/km of bij onbekende uitstoot.

Voor volledig electrische voertuigen is de aftrekbaarheid 120%.


5. Contact

Opmerkingen op deze site zijn welkom op het e-mail adres traject@traject.be